|
De Atlantikwall
was opgebouwd uit een reeks elkaar opvolgende steunpunten, die stuk voor stuk verdedigd waren
door bunkers. Deze bunkers waren er in alle soorten en maten en
met allerlei verschillende functies. Deze konden variëren van gewondenverzamelplaats tot geschutsopstelling en van munitiebunker tot radarbunker. Al deze bunkers hadden tot doel geschut, apparatuur, bewapening en manschappen te beschermen tegen eventuele aanvallen van de vijand. Men ontwierp gestandariseerde
ontwerpen (Regelbauten), teneinde de bouw van bunkers te versnellen. Van deze bunkerontwerpen stond dus voor de bouw al
vast hoeveel beton, staal, arbeider en welke ventilatiesystemen
en pantserdelen er nodig waren. De wanden en dekkingen van deze Regelbauten waren uitgevoerd in (gewapend) beton en konden variëren in diktes van 30 cm (de veldstellingen) tot de
U-bootbunkers waar de dekkingen al vaak tegen de zeven meter liepen. Verder werd er naast het beton ook veel pantserstaal verwerkt bijvoorbeeld in de vorm van profielbalken ter ondersteuning van het dak, pantserkoepels en pantserplaten. De meest voorkomende bouwdiktes (Baustärken)
van de Regelbauten waren de
Baustärken
A en B. Hieronder enige gegevens over de betondiktes van deze Baustärken.
De ingangspartij en verdedigingOm het interieur van de bunker te beschermen tegen directe aanvallen van de vijand had elke bunker een gebroken toegang. Dit ingangsportaal zorgde ervoor dat een projectiel nooit rechtstreeks in de bunker kon komen. Het ingangsportaal was aan
de buitenzijde van de bunker af te sluiten met een trailiehek, maar als deze niet voorhanden was werd een houten deur gebruikt. Sommige geschutskazematten waarin mobiel geschut was opgesteld hadden om het geschut uit de bunker te kunnen rijden een brede
in/uitgang. Deze kon met een dubbele pantserdeur worden afgesloten.
De
eerste ruimte die men via het ingangsportaal kon betreden
was een zogenaamde gassluis (Gasschleuse). Dit was een ruimte waar met gifgas besmette personen zich eerst (met behulp
van in de Gasschleuse aanwezige middelen) konden ontsmetten voordat ze de bunker betraden. De gassluis en het portaal waren
van elkaar gescheiden door een tweedelige pantserdeur, die afgezet was met rubberen randen (zodat hij gasdicht af te sluiten
was). De deur was tweedelig omdat als er bijvoorbeeld door een bombardement aarde voor de onderste deur was gekomen, de bunkerbemanning de bunker altijd nog kon verlaten via de bovenste deur.
Verwarming en VentilatieAangezien er veel tijd werd doorbracht in de bunker, was het van belang dat de bunker goed geventileerd en verwarmd werd. Alle Duitse St.-bunkers konden luchtdicht worden afgesloten door middel van met rubber afgezette pantserdeuren. Ook de in de bunker uitkomende buizen voor het aan- en afvoeren van lucht waren gasdicht af te sluiten. De aangezogen verse lucht kon gefilterd worden door de in de bunker aanwezige gasfilters; Heeres-Einheits-Schutzlüfters (H.E.S) 0,8, 1,2 en 2,4. De cijfers gaven aan hoeveel m3 lucht de installatie per minuut kon filteren. Men had twee soorten filtercasettes: een tweedelige koolstof-filter voor gaszuivering en een bakelieten koker voor luchtverversing. Om overdruk te voorkomen waren er in de bunker meerdere ventilen (Überdruck-Ventil) aanwezig om de lucht te laten ontsnappen. Een überdrück ventil was zo ontworpen dat bij overdruk het klepje van het ventil naar buiten schoot waardoor de lucht kon ontsnappen, maar bij een ontploffing buiten de bunker sloeg door de druk het klepje naar binnen waardoor er geen gevaar voor het interieur van de bunker ontstond.
De
verwarming vond plaats met speciale bunkerkachels (Festungsheizungsoven)
van de type W.80 en WT.80. De kachels verschilde iets onderling;
de WT.80 had een kookplaat bovenop had en de W.80 niet. De afvoer
van de kachel verliep via een buizenstelsel, dat op het dak van
de bunker uitkwam. In verband met een mogelijke koolmonoxyde vergiftiging waren er in de bunkers
detectors en een kanarie
(-achtig) vogeltje aanwezig.
WaarnemingenOm vanuit een bunker waarnemingen te kunnen doen waren de meeste bunkers uitgerust met een periscoop. Deze liep via een (gasdicht af te sluiten) stalen buis door het bomvrije dak van de bunker.
Sommige bunkers waren uitgerust met een observatiekoepel uitgerust; een voorbeeld hiervan is een Regelbau 502 met koepel. Mitrailleurkazematten hadden naast deze periscoop ook nog kijkspleten in de pantserplaat.
Ook werden observaties verricht vanuit een Öffener
Beobachter (tobruk). Dit was een, via een in het beton uitgespaarde trap te bereiken, open achthoekige waarnemingspost waarin men ook een mitrailleur kon opstellen. De verzamelde gegevens kon men via een in de tobruk aanwezige spreekbuis (Sprachrohr) aan het binnenste van de bunker doorgeven. In de meeste ontwerpen zijn de tobruks in vleugelmuren opgenomen, maar soms werden ze ook gewoon in de buitenmuur van de bunker opgenomen (zie b.v type
623, 630, 631).
|

|
All pictures and drawings are copyrighted by the Atlantikwall Website team unless stated otherwise. |